De ontworteling van de ziel (2)
Om ruimte te maken voor wat de menselijke ziel nodig heeft is het misschien goed om eerst te verduidelijken wat we met deze terminologie bedoelen.
Is er in ons iets dat eeuwig is? Voor wie zich volledig identificeert met zijn lichaam is het antwoord eenvoudigweg nee. Als ons lichaam sterft, dan blijft er niets van ons over behalve een herinnering bij degenen die ons hebben gekend. Ons denken verdwijnt, want wij zijn ons brein, en zonder brein geen denken. De herinneringen aan ons in het denken van anderen vervagen en zullen op den duur verdwijnen.
Op mijn katholieke lagere school, nogal lang geleden, kwam één keer per week meneer pastoor langs om ons uit te leggen dat het volgens het Christendom anders zit. Ik herinner mij twee plaatjes. Meneer pastoor tekende eerst een cirkel. Een cirkel heeft geen beginpunt en geen eindpunt, zo legde hij uit. Datzelfde geldt voor God. God heeft geen begin en geen einde. God is geest. God was, en is en zal zijn, tot in de eeuwen der eeuwen. Daarna tekende meneer pastoor een lijnstuk dat overging in een cirkel. Dat was een plaatje van de mens. De mens heeft een begin maar geen einde. Ons begin is onze geboorte. Maar, zo hield de zielenherder ons voor, de dood van ons lichaam betekent niet ons einde, want wij zijn niet alleen ons lichaam. Onze ziel blijft leven. De ziel is geschapen, maar eenmaal geschapen bestaat zij voor eeuwig, net als God. Dat is wat bedoeld wordt met: de mens is geschapen naar het evenbeeld van God. Meneer pastoor is allang dood en begraven, en God heeft zijn ziel. Maar wat is dat, onze ziel?
Is het ons denken? Descartes meende van wel, en hij geloofde dat hij met zijn filosofisch dualisme de religie een grote dienst had bewezen. Want als geest en lichaam onafhankelijk zijn van elkaar, zoals hij meende te hebben aangetoond, dan is het voortbestaan van de geest of ziel na het sterven van het lichaam in elk geval niet ondenkbaar.
Of Spinoza geloofde in de onsterfelijkheid van de ziel als een voortduren na de dood van het lichaam is een vraag waar de Spinoza-geleerden het er niet over eens zijn. Spinoza spreekt van ‘mentis aeternitas’ (eeuwigheid van het denken), en nooit van ‘immortalitas animae’(onsterfelijkheid van de ziel), volgens Spinoza specialist Steven Nadler. In Spinoza’s Ethica komt het woord ‘immortalitas’ maar één keer voor, en wel om de dwaze overtuigingen van het gewone volk te beschrijven.
Spinoza vindt het belachelijk om deugdzaam te zijn uit berekening, in de verwachting van een beloning of de vrees voor straf hiernamaals. Deugdzaam leven is immers zó leven dat je jezelf niet laten meeslepen door je hartstochten, en dat is zijn eigen beloning. Zodra we doorhebben dat rijkdom, eer of genot nastreven niet tot blijvend geluk leidt wordt het mogelijk om de dingen te gaan zien in het licht van de eeuwigheid. En dan zie je in dat het absurd is hier op aarde je hartstochten te beteugelen in de verwachting dat je beloning hiernamaals zal zijn dat je dat dán tot in eeuwigheid niet meer hoeft te doen.
Mijn eigen indruk is dat Spinoza met eeuwigheid van de geest verwijst naar eeuwige waarheden en niet naar persoonlijke ervaringen. Voor zover eeuwige waarheden voor de menselijke geest kenbaar zijn, is de menselijke geest ook eeuwig. Spinoza was wiskundig onderlegd. Hij beschouwde wiskunde als eeuwige waarheid die voor het denken toegankelijk is, en hij presenteerde zijn Ethica in de stijl van een wiskundige verhandeling. Misschien was de pastoor uit mijn jeugd, die ons de onsterfelijkheid van de ziel met wiskundige middelen probeerde uit te leggen, zelf ook (een beetje) een Spinozist.
Een ware gedachte correspondeert met dat waar die gedachte naar verwijst. God is de hele realiteit, en ware gedachten reflecteren de realiteit. Waarheid vindt dus voor Spinoza haar fundament in de aard van het Goddelijke. Dit is iets heel anders dan de gedachte dat ik me na mijn dood zal herinneren dat ik Jan van Eijck ben (of was).
Wat valt er over het Goddelijke dan eigenlijk verder nog te zeggen? Of over waarheid, schoonheid, goedheid, liefde? Of over de ziel? ‘Define love’ was een geliefde debat-zet van Charlie Kirk. Een discussietruc, want dit is vragen naar het onmogelijke. Liefde kun je niet definiëren. Gelukkig kun je het direct ervaren. Wat is dat gevoel dat door je heen stroomt als je een baby vasthoudt die naar je glimlacht? Wat gaat er door je heen op je momenten van eenheidservaring? Eenheidservaringen, wat zijn dat? Wat? Heb je die niet? Of herken je ze alleen maar niet als zodanig?
Een onderzoek van Ipsos naar levensovertuigingen dat werd besproken in Trouw verdeelt de Nederlandse bevolking in vieren:
1 Atheïsten (Nietsisten): Er bestaat geen God of hogere macht of kracht. De Nietsist denkt zeker te weten dat er niets is. - 25%
2 Agnosten (Niet-weters): Wij weten niet, en kunnen niet weten, of er een God of een hogere macht bestaat - 31%
3 Ietsisten: Er moet iets zijn als een hogere macht of kracht - 27%
4 Gelovigen: God bestaat en houdt zich met ieder mens persoonlijk bezig - 17%
De term ‘ietsisme’ gaat terug op het Sociaal en Cultureel Rapport 1996, al meent Ronald Plasterk dat hij hem (in 1997) heeft bedacht. Het ‘niet weten of er misschien iets is’ van de agnost verkeert hier in ‘niet ontkennen wat je niet kunt weten’.
De niet-weters, de ietsisten en de gelovigen vormen samen nog steeds een ruime meerderheid van 3/4 van de Nederlandse bevolking. Maar wat hebben zij vóór op de atheïsten? Hebben wij God echt nodig? Blaise Pascal zou zeggen van wel, maar Pascal had een nogal zorgelijke natuur.
Zelf geloof ik in de God van Spinoza, de God die samenvalt met alles dat is, de God die overal is, de God waar de mens één mee is. Aan Zijn bestaan hoeft niemand te twijfelen, want dat staat net zo vast als ons eigen bestaan hier en nu. Aan de vraag of ik zal voortbestaan na de dood van mijn lichaam ben ik daarmee nog niet toe. Om die vraag te kunnen stellen zou ik eerst een andere vraag moeten beantwoorden: wie is toch die ‘ik’?
Wordt vervolgd.