Conversietherapie
Conversietherapie, is dat wel hetzelfde als homogenezing?
Onze seksuele geaardheid is een gegeven. Daaruit volgt dat we niet moeten proberen de seksuele geaardheid van onze medemensen te veranderen. Gelukkig maar, dan, dat ‘homogenezing’ in Nederland vrijwel niet voorkomt.
Seksuele geaardheid heeft betrekking op biologisch geslacht: je bent hetero als je valt op het andere geslacht, homo als je valt op het eigen geslacht, en bi als je valt op beide geslachten. Seksuele geaardheid is iets objectiefs. Homo zijn is net zo natuurlijk als hetero zijn, ook al wordt homoseksualiteit in sommige (meestal extreem misogyne) culturen veroordeeld.
Onze seksuele natuur is biologisch bepaald. Proberen je eigen seksuele geaardheid te onderdrukken of veranderen is een recept voor ellende. Pogingen de seksuele geaardheid van anderen te sturen is een grove inbreuk op hun persoonlijke vrijheid.
Tot zover eens?
Dan volgt er nu een mogelijke hobbel. Biologisch geslacht wordt tegenwoordig vaak op één hoop gegooid met gender. Maar dat genderidentiteit iets wezenlijk anders dan biologisch geslacht zie je als je beseft dat de twee elkaar niet hoeven te dekken. Je kunt bijvoorbeeld biologisch man zijn maar je van binnen vrouw voelen, of andersom.
Filosofische vraag: is iemand die geboren is als man maar die zich vrouw voelt (1) een man met genderdysforie, of (2) een vrouw die per ongeluk in een mannenlichaam terecht is gekomen?
Wie standpunt (1) huldigt zou kunnen denken dat therapie een mogelijke oplossing is, terwijl aanhangers van standpunt (2) eerder zullen pleiten voor genderbevestigende zorg als mogelijke remedie. Kortom, hoe je hier tegenaan kijkt hangt af van je filosofische perspectief.
Aanhangers van standpunt (1) beschouwen een verwijzing naar de genderkliniek als een poging tot conversie: je gaat daarmee in tegen de objectieve biologische realiteit. Aanhangers van dit standpunt menen dat genderdysforie bij kinderen kan wijzen op een zich ontwikkelende homoseksuele geaardheid. De genderdysforie verdwijnt dan vanzelf als zo’n kind de eigen geaardheid leert accepteren en zich ontwikkelt tot gelukkige homo of lesbo.
Aanhangers van standpunt (2) beschouwen juist psychotherapie als poging tot conversie: je gaat in tegen de zelfgevoelde genderidentiteit van onze medemens. Dat is niet alleen moreel onjuist maar ook gevaarlijk. Wanneer we de genderidentiteit van onze medemensen ter diskussie gaan stellen kunnen we zelfs hun leven in gevaar brengen. Een transgender dwingen zich te gedragen naar het bij geboorte toegekend gender is minstens net zo erg als een homo dwingen om als hetero te leven.
Kortom, deze zaken worden onbespreekbaar omdat we ons bevinden in het semantisch drijfzand van de verwarring tussen geslacht en gender. Homoconversie is iets wezenlijk anders dan transgenderconversie. Wie het woord ‘conversie’ gebruikt als parapluterm die zowel homogenezing als psychotherapie bij genderdysforie moet dekken, maakt een zinnige gedachtewisseling over dit onderwerp onmogelijk. Dit zien we nu in het debat over de conversiewet.