Michel Foucault, een Franse cult-filosoof
Nog even over de kleine hagiografie die Michiel Leezenberg in NRC-Hbl van 3 december 2025 wijdde aan Michel Foucault. Zie hier. Leezenberg noemt Foucault een ‘denker op het scherpst van de snede’, die het verdient om serieus te worden genomen: hij is immers de meest geciteerde filosoof in de geesteswetenschappen.
Ongetwijfeld heeft Leezenberg gelijk met zijn opmerking dat Foucault enorme invloed heeft gehad en nog heeft. Maar waarom is het feit dat Michel Foucault de meest geciteerde filosoof is in de geesteswetenschappen eigenlijk een aanbeveling? Het zou toch net zo goed een teken kunnen zijn van malaise in de geesteswetenschappen? Ook zeer veel geciteerd in Angelsaksische geesteswetenschappelijke kringen is Judith Butler. Als je haar werk erbij neemt zie je snel dat het slechtgeschreven onsamenhangende pseudofilosofie is. Populariteit in kringen die met haar dwepen is voor mij een contra-indicatie. Foucault schrijft veel beter dan Butler, dat geef ik graag toe, maar het zou toch heel goed kunnen dat hij net als Butler over het paard is getild door luie alfa-academici die hun status een beetje willen opvijzelen door een Franse denker te citeren die kennelijk zeer in de mode is?
In Frankrijk is een philosophe vanouds een denker die zich in de krant tot een zo groot mogelijk publiek richt. Type Voltaire, Rousseau, Diderot, de intellectuele voorhoede van de Franse Revolutie, zeg maar. Ze zijn net zo goed schrijver als filosoof, en ze bemoeien zich met alles. Moderne versies zijn Bruno Latour, Alain Badiou, Alain Finkielkraut, Bernard-Henry Lévy en Michel Onfray. Als je af en toe in Frankrijk bent en dan Le Monde leest kom je deze namen regelmatig tegen. Michel Foucault was ook zo’n philosophe. Hij heeft grote invloed uitgeoefend op de publieke opinie, en dan met name op de publieke opinie aan de uiterste linkerzijde van het politieke spectrum.
In die zin is hij dus inderdaad een belangrijke denker. Maar wie zijn werk ter hand neemt merkt al snel dat het een exercitie is in retoriek die probeert de lezer omver te blazen. Kennis is onverbrekelijk verbonden met macht, volgens Foucault. O ja? Laten we dan eens naar een voorbeeld kijken. Toen Eratosthenes er rond 240 voor Christus in slaagde om de omtrek van de aarde te berekenen vergrootte dat onze kennis, of liever de kennis van een kleine elite om hem heen, maar met macht had dit, volgens mij althans, geen bal te maken. Christoffel Columbus had zo’n 1700 jaar later zijn voordeel kunnen doen met het inzicht van Eratosthenes, maar hij liet zich misleiden. Het voorbeeld illustreert dat potentieel zeer nuttige kennis ook weer verloren kan gaan. Zulke zaken analyseren in termen van macht is niet verhelderend.
Ik neem zo nu en dan een boek van Foucault ter hand, maar een retorische stijl die geen tegenwerpingen toelaat, daar moet je van houden, en ik geef grif toe dat ik geen liefhebber ben. Tegenstanders zullen beweren dat ik te weinig Foucault heb gelezen om hem op waarde te schatten, maar dat vind ik geen sterk argument. Je hoeft immers ook niet de hele Bouquet reeks door te werken om een oordeel te hebben over de inhoud.
Om te zien wat Foucaults invloed was kunnen we kijken naar wie zich op hem beroept. In de jaren zeventig van de vorige eeuw had hij invloed op de antipsychiatrie, hier in Nederland vertegenwoordigd door Jan Foudraine. In deze kringen werd Folie et déraison: Histoire de la folie à l’âge classique uit 1960 (Nederlands: Geschiedenis van de waanzin), waarin scherp onderscheid word gemaakt tussen waanzin en geestesziekte, kennelijk druk gelezen.
Onkritische lezers van een latere tekst, Surveiller et punir (1975) (Nederlands: Discipline, toezicht en straf) gingen pleiten voor het afschaffen van gevangenissen, ongetwijfeld misleid door het feit dat Foucault met geen woord rept over de noodzaak om de maatschappij te beschermen tegen gevaarlijke criminelen. Als Foucault-lezer zou je nog kunnen gaan denken dat gevaarlijke criminaliteit niet bestaat.
Edward Said noemt Michel Foucault als inspiratiebron voor zijn “koloniale discourse theorie”, fundament van de postkoloniale studies waarvan Said pionier was en die ervoor gezorgd hebben dat “Westers kolonialisme” een gemeenplaats is geworden in het linkse gedachtengoed. We worden kennelijk geacht te vergeten dat elk imperium uit de wereldgeschiedenis zijn omgeving heeft gekoloniseerd. Dat geldt beslist niet alleen voor de VS. Ook Groot-Brittannië, Rusland, het Ottomaanse rijk, het Arabische rijk, het Mongoolse rijk, deden het. De Chinezen doen het nog steeds, in Tibet en Xinjiang (de ‘autonome regio’ waar de Oeigoeren bijna de helft van de bevolking uitmaken). Het streven van Poetin om een imperium te herstellen heeft onmiskenbaar kolonialistische trekken. Saids stelling dat kolonialisme Westers is en altijd wit van kleur klopt volstrekt niet met de feiten, maar voor de haters van het Westen doet dat er kennelijk niet toe.
Judith Butler heeft een ander stukje gedachtegoed van Foucault opgepikt en uitgewerkt: de opvatting dat geslacht tussen de oren zit in plaats van in ons DNA. Foucaults studie van de geschiedenis van de seksualiteit Histoire de la sexualité uit 1976 (Nederlands: Geschiedenis van de seksualiteit) bespreekt het onderscheid tussen de categorieën ‘man’ en ‘vrouw’ niet als iets dat natuurlijk gegeven is, maar als het product van een discours dat in de loop van de tijden voortdurend is veranderd.
Zwakke geesten nemen dit letterlijk, en dat heeft de weg bereid voor de genderideologie die de biologische werkelijkheid van het geslachtsverschil tussen mannen en vrouwen ontkent. Deze cultus probeert ons op te dringen dat volwassen mannen die beweren dat ze eigenlijk vrouw zijn niet mogen worden tegengesproken, en dat jonge meisjes die opzien tegen het vrouw worden of die moeite hebben met het aanvaarden van hun lesbische geaardheid, geholpen zijn met medische ingrepen om hun vrouwelijke geslachtskenmerken aan het zicht te onttrekken.
Ooit gaat de medische wereld weer inzien dat ‘genderbevestigende zorg’ waarbij de borsten van jonge meisjes worden geamputeerd een gruwel is die ingaat tegen het gebod van Hypocrates primum non nocere (‘allereerst, geen schade toebrengen’). Intussen heeft de werkelijkheidsontkenning van het genderdenken de levens van jonge mensen verwoest, en worden vrouwen die, volkomen terecht, stellen dat je vrouwenrechten niet kunt borgen als je niet meer weet wat een vrouw is, door de genderkwezeltjes verketterd.
En dan is er het islamo-gauchisme, de opvatting bij delen van uiterst links dat het islamisme een bevrijdingsbeweging is die het stokje heeft overgenomen van de arbeidersbeweging. Judith Butler is ermee besmet. Zij beschouwt Hamas en Hezbollah als progressieve sociale bewegingen. Ze is helaas niet de enige. In Nederland kun je in 2025 met dit soort opvattingen de P.C. Hooftprijs winnen. En toch: dit is een omkering van de werkelijkheid. Het islamisme is een sociale beweging die de Islam inzet voor politieke doeleinden, die daarbij geweld verheerlijkt, en die streeft naar een theocratische staatsinrichting waarbij een archaische versie van de Islam leidend is op elk gebied, en waar de rechten van vrouwen en homoseksuelen worden vertrapt. Hoe je dit ‘bevrijdend’ kunt noemen is voor weldenkende mensen een raadsel. Erger de weg kwijt zijn is bijna onmogelijk.
Dit merkwaardige perspectief kon ertoe leiden dat verdoolde jongeren zich scharen achter banieren ‘Queers for Palestine’. Kennelijk zijn ze niet echt op de hoogte van het lot van homo’s en lesbo’s in de meeste Islamitische landen. Gaston Crémieux noemt Foucault de patiënt nul van het Islamo-gauchisme. Misschien is dat teveel eer, maar dat het islamo-gauchisme of islamo-linksisme een ziekte is en dat Foucault een rol heeft gespeeld in het verspreiden ervan, is volgens mij buiten kijf. Deze tekst van Gaston Crémieux liegt is trouwens niet om. “La Révolution iranienne en 1978 et 1979 inspire à Michel Foucault une théorisation de la fusion entre esprit révolutionnaire et islamisme. L’enthousiasme que l’événement suscite chez le philosophe, dont le soutien aux mollahs va au-delà de simples concessions tactiques, révèle une grille de lecture qui coïncide avec la définition du fascisme. Une interprétation utile pour appréhender le concept d’islamo-gauchisme et certaines dérives en cours.” (“De Iraanse revolutie in 1978 en 1979 inspireert Michel Foucault tot theoretiseren over de versmelting tussen revolutionaire geest en islamisme. Het enthousiasme dat de gebeurtenis bij de filosoof, wiens steun aan de mollahs verder ging dan louter tactische concessies, opwekte, onthult een interpretatiekader dat samenvalt met de definitie van fascisme. Een nuttige interpretatie om het concept van islamo-linksisme en bepaalde huidige uitwassen te begrijpen.” Lees verder en oordeel zelf, zou ik zeggen.
Verwelkomde Foucault nu wel of niet het regime van ayatollah Khomeini in Iran? Zijn tekst ‘Une poudrière appelée islam’ (‘een kruitvat dat Islam genoemd wordt’) in de Corriere della Sera uit 1979 suggereert van wel: «Téhéran. Le 11 février 1979, la révolution a eu lieu en Iran. Cette phrase, j’ai l’impression de la lire dans les journaux de demain et dans les futurs livres d’histoire. […] L’histoire vient de poser au bas de la page le sceau rouge qui authentifie la révolution.» (‘De geschiedenis heeft zojuist onderaan de pagina het rode stempel geplaatst dat de revolutie waarmerkt.’) En in Le Nouvel Observateur schreef hij, op 9 oktober 1978: «comme ‘volonté politique’, il [le gouvernement islamique] m’a impressionné. Il m’a impressionné dans son effort pour politiser, en réponse à des problèmes actuels, des structures indissociablement sociales et religieuses ; il m’a impressionné dans sa tentative aussi pour ouvrir dans la politique une dimension spirituelle». (“Als ‘politieke wil’ heeft [de islamitische regering] indruk op mij gemaakt. Ze heeft indruk op mij gemaakt met haar inspanningen om, als antwoord op actuele problemen, onlosmakelijk sociale en religieuze structuren te politiseren; ze heeft ook indruk op mij gemaakt met haar pogingen om een spirituele dimensie in de politiek te introduceren.”)
Kennelijk maakte het voor Foucault niet uit dat de revolutie in handen kwam van theocraten. Waar dat in Iran toe heeft geleid hebben we intussen gezien. Zeker, het regime van Shah Pahlavi was wreed en onderdrukkend, en de Shah was in het zadel geholpen en werd in het zadel gehouden door de VS, maar het regime van de mullahs dat erop volgde is vele, vele malen erger.
Je zou je nog kunnen afvragen of Foucault zich achteraf heeft gedistantieerd van zijn miskleun over Iran. Het antwoord is: nee. Het enige dat hij er achteraf over te zeggen had was dat hij niet van polemiek hield. Janet Afary en Kevin B. Anderson schreven een zeer kritisch boek, Foucault and the Iranian Revolution (2005). Foucaults vrienden en volgelingen moesten er niets van hebben. Foucaults levensgezel Daniel Defert merkt op dat hij het niet wilde lezen, want ‘even masochism has its limits’. Maar wij zouden dit ook als een aanbeveling kunnen lezen. In de introductie wordt het nuancerend commentaar van de ‘Amsterdam-based philosopher’ Michiel Leezenberg op de Iran-uitspraken van Foucault vermeld, maar helaas kon ik geen online toegang krijgen tot zijn tekst.
Over de geruchten dat Foucault in Tunesië betaalde sex had met minderjarige jongens ga ik het niet meer hebben. De feiten zijn denk ik niet meer te achterhalen, dus je kunt dit een perfide leugen vinden. Maar je zou evengoed kunnen vermoeden dat er een kern van waarheid in zit, omdat het gerucht past bij het normloze sexuele gedrag dat Foucault tijdens zijn hele leven propageerde en in praktijk bracht. Een overtuigende weerlegging heb ik niet gezien. Foucault tekende in 1977 samen met een groep beroemde Franse intellectuelen protest aan tegen een wetsvoorstel om een officiële leeftijd van seksuele meerderjarigheid vast te stellen.
De invloed van Foucault op de postmodernisme-mode aan angelsaksische universiteiten is op vele plaatsen uitvoerig besproken. In het studentenblad van Amherst merkt Thomas Brodey op dat het zelden voorkwam tijdens colleges aan de letterenfaculteit dat de naam Foucault niet viel. Brodey verwijst ook naar het beroemde en zeer onthullende debat tussen Michel Foucault en Noam Chomsky, voor de Nederlandse televisie, uit 1971, getiteld De menselijke natuur: rechtvaardigheid versus macht, onder leiding van Fons Elders. Chomsky breekt een lans voor rechtvaardigheid als leidraad om tot een samenleving te komen waarin de menselijke natuur kan bloeien. Foucault ontkent botweg dat er zoiets bestaat als rechtvaardigheid of een kenbare menselijke natuur.
Verder lezen over het islamo-linksisme? De tekst The Nazification of the Postmodernist Left van mijn vriend (en co-auteur, en voormalig collega) Shalom Lappin maakt duidelijk hoezeer uiterst links de weg is kwijtgeraakt op dit dossier. Ook aanbevolen: Adam J. Sacks, The Right Side of History? Iran, Intellectuals, and the Far-Left. Sacks besteedt uitvoerige aandacht aan de houding van Michel Foucault tegenover de de Iraanse revolutie. Voor Foucault liefhebbers zouden dit verontrustende teksten moeten zijn.